Home » Verhalen

Sfeertekening:
          Fietsen in de bergen is een verrukkelijke zelfkwelling. Stel je even voor. Om je heen de zinderende zomerhitte. Een massale stilte, slechts doorbroken door kwetterende vogels of een bruisende bergbeek. Ver weg raast wat verkeer. Voor je ligt een nog onbekende berg. Parkachtig voor zover je het kunt overzien. Hoog boven je torent de rand van de steilte. Moet je daarheen?

          Donkere bossen, afgewisseld met zonovergoten weiden. Je weet dat het niet zo blijven zal. Langzaam zal het landschap zich tijdens de lange tocht naar de top aanpassen aan de heersende natuurwetten. Je zet je brilletje en je petje nog eens goed die je ogen tegen het prikkelende zweet moeten beschermen. Je legt de ketting op het binnenblad. Voor je ligt een flink hoogteverschil van pakweg 900 meter of meer, wat je uiteindelijk tussen 1800 en 2600 meter hoogte zal brengen. De weg verdwijnt met trage slingers om de hangende helling.Hier en daar gunt wat ruimte tussen de bomen je een schitterende blik op het dal en het dorp waar je nog net begonnen was. Soepel schakel je een tandje hoger om het ontspannen tempo vast te houden. Helemaal lukt dat niet, de klim vergt toch wel enige inspanning. Terug naar de 23 dan maar. De bochten volgen elkaar nu wat vlotter op en de helling wordt zwaarder. De bomen maken langzamerhand plaats voor de grotere heesters. Ontspannen klimmen is het dan lang niet meer, de ketting ligt nu op de 26. Je bent verbaasd als je ineens een ruime blik over de vallei wordt gegund. Zit je al zo hoog? Kleuren veranderen blauwachtig in de diepte. De rand steekt nu helder af tegen de strakblauwe lucht. Het is toch wel erg warm als je klimt. Ineens, na een wending langs een uitloper van het dal, gaat de weg een flink eind hoger. Dat is werken geblazen. Met de blik op de weg zo'n 20 meter voor je, zwoeg je het laatste stuk op de 28 omhoog.

          Dan, bevrijd, sta je op de rand van de berg die je daarnet nog zo verschrikkelijk hoog vond, de blauwgroene diepte in te kijken. Hijgend en wetend dat je pas 900 meter in krap een uur hebt overbrugd. Dat belooft wat voor de rest van de trip.

          Je eet wat en begint aan de afdaling, honderden meters omlaag. Lekker suizen en draaien, maar je moet straks wel weer omhoog. Bovendien herstel je in zo'n korte periode nauwelijks. Veel te snel ligt de volgende uidaging al weer op je te wachten. Met aan de voet een vriendelijk dorpje dat zich koestert in de zomerzon. Uit het dorp loopt de weg, lokkend met een kalme klim, omhoog naar een zo goed als verlaten ski-oord. De weg verheft zich langzaam naar een verre bocht. Veel meer dan vals plat lijkt het niet, maar de inmiddels opgestoken wind maakt dat er toch gewerkt moet worden. Bomen zijn er niet meer, en de enkele struik die er nog staat, voert een verbeten en bij voorbaat verloren strijd tegen de elementen. Gras is hier nog wel volop. Een brug brengt je met een onverwachte draai de bergstroom over. Langs glooiende alpenweiden, het gras plat onder de wind, werkt de weg zich verder de berg op.

         De wind wordt vlagerig. En dat is jammer, want er is zoveel te zien. Links de wei met hier en daar wat vee. Rechts een kaal en breed dal, steeds dieper wegzinkend. Verlaten. Langs een stroompje loopt een wandelpad. Ook grijs en gruizig, maar net iets platter dan de rest. Op de gruishelling is geen begroeiing meer te zien. Alleen roodbruine brokken, wachtend op niets. Je zoekt de berghelling voor je af op begaanbaarheid. Nergens iets te zien. Ja toch. Een collega ver voor je waarschijnlijk (de Ronny) een beter klimmer. De wind wordt steeds feller. Verbeten vecht je verder.

          Bij een hut lopen wat beesten buiten te scharrelen. Het gemakkelijkste stuk is nu achter de rug. Een wandelpad verdwijnt linksaf in de grijsbruine steenwoestenij. De weg draait met een haarspeldbocht rechts omhoog en eist volledige aandacht. Vechtend aan de bergkant worstel je de steile stukken omhoog, weg van de door de rukwinden gevaarlijke dalzijde. Bescherming is er niet. De zon is nu verdwenen. In korte tijd stijgt de weg met een aantal bochten onrustbarend snel van het ongastvrije dal omhoog naar de kale rotsen.

          Halverwege deze haarspeldserie staat een hekje aan de dalzijde. Een prachtige gelegenheid om de fiets even te parkeren en een foto van het zojuist verlaten dal te maken. Ver achter ons pakken zware wolken zich samen. De inktzwarte lucht voorspelt niet veel goeds, al is het dan op afstand. De tot storm aangewakkerde wind raast over deze kale glooiende vlakte. Slechts hier en daar is nog wat mos te zien. Voor de rest niets. Het begint nu echt koud te worden. De mouwstukken moeten aan, ondanks het pittige klimwerk. Ver boven je schittert een autoruit in een toevallige zonnestraal. Nog kun je er de weg naartoe niet ontdekken. Zwoegend begin je aan de laatste kilometers, de laatste serie haarspeldbochten. De wind giert door je spaken, de adem door je luchtpijp. Je benen voelen steeds dikker aan. Hard van binnen en onmiskenbaar machtelozer. Erg sneu voor je benen dat je ogen het zo mooi vinden, want je moet nog even verder. Afstappen zo vlak voor je doel is ondenkbaar. De rest MOET in een keer. Zelfs je schouders en armen doen pijn van het trekken aan het stuur. Ook de zit is ongemakkelijk geworden. Kleiner dan de 26 kun je niet schakelen

          Alles doet zeer. Staand en ploeterend moet je jezelf het laatste stuk van de berg opsleuren. Langs de heupwiegende haarspeldbochten verder omhoog. Een moeizame verovering. Smelt- en lekwater maken grote natte plekken op de weg. De bandjes spetteren door de plassen. Dan, eindelijk, de verlossing van de top. Wat je achter je liet was mooi in z'n rauwe pracht. Wat je nu ziet is indrukwekkend. Alle kleuren grijs, bruin en groen, kwistig verdeeld over de volle breedte van je blikveld. Besneeuwde reuzen in de verte. Ogenschijnlijk op gelijke hoogte. Dreigende wolken die zwaar van het water het dal in zakken. Van de weidse schoonheid aan onze voeten. Het is alle inspanningen toch meer dan waard geweest.

Stephan


Hoger Op:
          Melkwitte vlekken liggen tegen de flanken. Grijswitte pluimen verhullen zijn top. Aan de voet van iedere col trappen we naast elkaar onze fietsen vooruit en onze lichamen warm. Dat laatste is hier hard nodig want het lijkt na ieder haarspeldbocht kouder te worden. Ik ga even op de pedalen staan en adem rook uit. Ik bevind me in 's werelds grootste ijskast. Alles in mijn hoofd wordt rustig en zeker. Mijn anders zo gecompliceerde denkwereld balt zich samen tot één simpele gedachte. Een ontlading van positieve energie die haast leidt tot een gevoel van openbaring.

         De warmte die ik produceer weegt niet meer op tegen de kou. De bochten liggen nu steeds dichter bij elkaar en ook dat zweept mij op om harder te gaan rijden. Mijn inspanningen bereiken nu bijna hun climax. Alsof de achtergelaten ingewikkelde gedachtenkronkels mij weer op de hielen zitten, klim ik orgastich. Een recht stuk asfalt ligt voor me als ik mijn fiets in één van de vele bochten doortrek. Ik denk niets. De wolken hebben inmiddels alle stukjes blauw om zeep geholpen. Als het langzaam begint te druppen, nemen we er ons regenjasje bij. In de bochten verkracht ik de ideale lijn. En trap voor trap kom ik vooruit. Het druppelen is gestopt en het plenzen is begonnen.

         Auto's staan rustig te wachten op een graafmachine die een stuk kapot wegdek aan het vervangen is. Met kletsnatte schoenen zet ik mijn klim verder. Ik probeer harder te trappen om warm te krijgen, maar zelfs met mijn lage snelheid is dat haast niet mogelijk. Op de weg staat nog drie kilometer. Ik krijg terug moed. Niemand begrijpt mij of kan mijn gedachten ooit begrijpen bij deze laatste meters. Ik klim, sprint, stoot als een gewichtheffer het onmogelijke gewicht omhoog. Mijn ziel brult de oerkreten van die gewichtheffer tegen de col die we zojuist bewerkt hebben. Als ik weer mensen zie en hoor op het kleine parkeerplaatsje, is alles voorbij.

         De vele cols hebben zich in ons geheugen, maar vooral in onze spieren geprent.

Stephan


Zin en Onzin:
          Wie eenmaal in de bergen heeft gefietst zal veel van zijn ervaringen in dit klimverhaal terugvinden.

          Voor wie er nog nooit is geweest ligt dit even anders. Het is nu eenmaal moeilijk om ervaringen uitsluitend met tekst op een ander over te brengen. Het is trouwens verbazingwekkend hoeveel zin en onzin er over het fietsen in de bergen wordt verteld.

       Laten we om te beginnen vaststellen dat er geen onbefietsbare bergen zijn. Hoogstens schiet de techniek van de fiets of die van de fietser te kort. Zolang een berg berijdbaar is, valt hij ook te befietsen. Mits we natuurlijk de nodige voorzieningen treffen op het tactische (jazeker) en het technische vlak. Wie over de nodige krachten beschikt zal zich weinig zorgen hoeven te maken, zou je denken.

 

       Niets is minder waar. Bergen moet je niet met kracht, maar met beleid platfietsen. Een helling van pakweg 7-8 % (en dat zijn de meeste) wordt pas door zijn lengte een uitdaging.

 

        Zoiets als de Kluisberg is met een redelijke versnelling best te doen. Maar bij een lengte van 20 kilometer of meer ga je daar halverwege toch anders over denken. En als je geen begaafde klimmer bent, ben je genoodzaakt alle denkbare mogelijkheden uit te buiten om zo de beperkte capaciteiten en ervaring ten volle te benutten.

Stephan

Copyright © koerse.be 2021